Wielrennen versus fietsen

Afgelopen weekend (september 2012, red.) startte  het prestigieuze WK-wielrennen in Zuid-Limburg. Maar wielrennen heeft in tegenstelling tot het fietsen nooit de status van een nationaal symbool verworven, vertelt historicus Manuel Stoffers. “Iedereen, van premier Rutte tot Henk en Ingrid, fietst.”

Door Hans van Vinkeveen

Weg met de leeuw, zo moedig zijn we niet. De fiets moet in de nationale vlag. Het voorstel komt van journalist en columnist Henk Hofland. De fiets behoort immers naast de klomp, tulp en windmolen tot de kenmerkendste symbolen van onze cultuur. Wie Nederland zegt, zegt fietsland. Historicus Manuel Stoffers, die onderzoek doet naar de sociaal-culturele betekenis van de fiets, onderschrijft deze stelling. “Zoals God in de Middeleeuwen is de fiets in ons land alomtegenwoordig. Iedereen, van premier Rutte tot Henk en Ingrid, fietst.”
Des te opmerkelijker is de geringe aandacht van Nederlandse academici voor de tweewieler. Ondanks de opgebloeide interesse voor cultureel erfgoed leeft dit onderwerp niet. Er is ook geen gecertificeerd museum dat de geschiedenis van het Nederlandse fietsen laat zien, vertelt Stoffers, zelf een door het heuvelland zwervende toerfietser. Zijn verklaring? “Blindheid voor de alledaagsheid van het fietsen. Fietsen is hier niet zoals elders een hip en bewust gekozen lifestyle, maar een nationale en onbewuste gewoonte.” Maar hierdoor blijft onderbelicht dat het fietsen het product is van een bijzondere historische ontwikkeling. De fiets heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan toerisme, lichaamscultuur, natuurbeleving en ook emancipatie en onze nationale identiteit.”

Biking queen
Nederlanders pakken de fiets omdat het land klein, vlak en compact is met een fietsvriendelijke infrastructuur. Volgens Stoffers schiet deze fysieke verklaring tekort. Er zijn wel meer plekken in de wereld waar dit het geval is en daar wordt niet gefietst. Het succes van de fiets komt vooral doordat deze is ingezet als promotor van de Nederlandse identiteit. Op affiches werd deze beeldvorming al in het begin van de 20e eeuw geïllustreerd. De naam van het bekende fietsmerk Batavus verwijst naar het legendarische Germaanse volk waarvan ‘wij’ zouden afstammen. Ook in populaire oorlogsverhalen over door de Duitsers geconfisqueerde fietsen vindt een koppeling plaats met de nationale identiteit. Stoffers: “De ‘fietsenroof’ staat symbool voor de aanranding van de natie. Kom je aan onze fiets, dan kom je aan ons.”
Ook de Oranjes waren zich al vroeg van de symbolische betekenis van de fiets bewust en hebben er zelf aan bijgedragen. Juliana, die wereldwijd bekend stond als de ‘biking queen’, toonde zich na haar verloving op de fiets aan de bevolking van Den Haag. Stoffers: “Dat gebeurde met opzet. Onze monarchie kent niet zoals Engeland een eeuwenoude traditie. Het koningshuis kan zich alleen handhaven door te zeggen: wij zijn een van jullie. Het zou met te veel pretenties mislopen.” Maar het fietsen van de majesteit was tevens voordelig voor de fiets, legt hij uit. “Het laat zien dat de elite fietst. En de elite definieert wat waardevol en de norm is. Het zegt ook iets over het Nederlanderschap: doe maar normaal, iedereen is gelijk.”

Rijwielnationalisme
Opvallend is de rol van de ANWB, nu toch vooral een ‘autolobby’ maar in oorsprong een belangenorganisatie voor fietsers. De ANWB was een liberale club die een soort ‘rijwielnationalisme’ uitdroeg: fietsend naar één natie. Via het fietstoerisme werd de verbondenheid van de regio’s benadrukt en de nationale eenwording versterkt. Daarvoor was een beschavingsoffensief nodig. Het toerfietsen werd in publieke campagnes verbonden met ‘traditionele’ Nederlandse burgerdeugden als onafhankelijkheid, zelfbeheersing en evenwichtigheid. “De fiets werd gepromoot als een beschavingsinstrument voor de opvoeding van de massa.”
Het beschavingsoffensief van de ANWB stond wel een verbinding tussen het wielrennen en de nationale identiteit in de weg, meent Stoffers. De organisatie, die aanvankelijk getuige ook de naam van het lijfblad De Kampioen pro-wielrennen was, steunde in 1905 het wettelijke verbod op wegwedstrijden. Dit verklaart dat er in Nederland zo weinig wielerklassiekers zijn en dat een nationale wielermythologie ontbreekt. Stoffers: “Het fietsgebruik is mede algemeen kunnen blijven omdat het fietsen als publieke sport na het verbod op wegwedstrijden minder kansen kreeg dan in andere landen. Omgekeerd doet de populariteit van de wielersport afbreuk aan het alledaagse fietsen. ”

Cultureel schisma
Er lijkt hier sprake van een cultureel schisma. “Wielrennen en fietsen zijn twee totaal gescheiden werelden”, legt Stoffers uit. “Er is sprake van tegengestelde beeldvorming. Als je fietsen vooral associeert met sport – inspanning, competitie, vrije tijd, een speciale fiets – dan zul je waarschijnlijk minder vaak op een gewone fiets stappen om de dagelijkse boodschappen te doen of in je pak naar het werk te gaan en wie dagelijks de boodschappen doet op de fiets, gaat op zondag minder gauw wielrennen. Deze tweedeling lijkt zelfs door te werken in de kerk. Stoffers: “Het blijkt dat er in gemeenten met een hoog aantal calvinisten een hoger percentage fietsgebruik is. Terwijl het wielrennen het imago heeft van een ‘katholieke’ sport. Kort door de bocht: de sobere calvinist fietst, denk aan vice-president van de Raad van State Donner. En de wat gemakzuchtige katholiek wielrent, zie oud-premier Van Agt.”
De verschillende appreciatie van het fietsen en wielrennen valt ook op in Zuid-Limburg. Limburgers fietsen gemiddeld minder dan bijvoorbeeld Groningers. Debet hieraan zijn volgens Stoffers het reliëf, het katholicisme en ook een fietsvijandig overheidsbeleid in de jaren vijftig. “Een overheid die ruimte geeft aan de fiets laat symbolisch zien dat dit een collectief goed is.” Van de andere kant is Zuid-Limburg dé wielerregio bij uitstek. Alleen hier, ‘in de Nederlandse bergen’, vinden de grote wielerwedstrijden plaats, zoals nu het WK.

CV
Manuel Stoffers is verbonden aan de Department of History, Faculty of Arts and Social Sciences (van de Universiteit Maastricht, red.). In 2007 promoveerde hij op een ideeënhistorische en historiografische studie Het nerveuze tijdperk en zijn historici. De opkomst van de mentaliteitsgeschiedenis in Duitsland, 1889-1915. Sinds 2009 verlegde hij zijn onderzoeksterrein naar de geschiedenis van fietscultuur en van de fiets als vervoermiddel voor individueel massatransport.

Een uitgebreid gesproken interview met Manuel Stoffers vindt u hier.