Op de fiets naar de basisschool is dat gevaarlijk?

Onze redacteur Martin Jansen is op een vrijdagmiddag in juni gaan praten met Walther Feddema van de aan de Begijnstraat aan de Jeker, vlakbij Poort Waerachtig. Onderwerp: de helft van de leerlingen van deze basisschool komt op de fiets naar school terwijl  er andere scholen zijn in Maastricht waar nauwelijks een kind het erop waagt en waar het kinderen zelfs wordt afgeraden. Hoe zit dat?

door Martin Jansen

Uit: Fietsentere nr. 82 (2013)

Er zijn basisscholen in Maastricht waar bijna de helft van de leerlingen op de fiets naar school komt, maar er zijn andere scholen waar nauwelijks een kind het erop waagt en waar het kinderen zelfs wordt afgeraden. Hoe zit dat? Om daarover wat wijzer te worden is Martin Jansen op een vrijdagmiddag gaan praten met Walther Feddema van de Openbare Basisschool Binnenstad aan de Begijnstraat aan de Jeker, vlakbij Poort Waerachtig.

De zon schijnt en de Jeker ruist, als ik met een lege achterband het schoolplein op loop en mijn fiets in het rek van groep 7 zet. Terwijl ik nog bezig ben mijn fiets op slot te zetten, word ik al hartelijk door Walther Feddema begroet. Samen lopen we door de gangen en langs lege lokalen, de trap naar de klas van groep 7. Aan de achterwand hangen kleurrijke tekeningen van jonge Picasso’s. Een dag per week is mijn gastheer hier meester en daarnaast geeft hij twee dagen les in groep 8. Hij verzorgt ook de verkeerslessen. Al twaalf jaar. Lesgeven zit hem in het bloed. Thuis geeft Walther pianoles aan jongeren.

Als de thee eenmaal op tafel staat, steekt Walther van wal. “We hebben vandaag de route van het fietsexamen te voet afgelegd, als voorbereiding op het echte examen van komende week. De route voert vanaf de school door het park naar de wijk Sint Pieter en via het kruispunt bij het politiebureau terug. Best een moeilijke route, vond de politie. Vroeger hadden we een heel lesprogramma samen met de politie. Twee agenten bereidden onze leerlingen voor op het fietsexamen. Zij gaven vijf lessen op school en ze beoordeelden ook de leerlingen bij het verkeersexamen. Dat werkte prima. Leerlingen leerden veel over deelnemen aan het verkeer. Tegelijk hadden ze de kans om allerlei andere vragen te stellen over het politiewerk. Daar bleek veel behoefte aan te zijn. Nu kan dat niet meer, omdat de politie minder geld heeft en een andere taakopvatting. Dat is best jammer. Ook de agenten vonden het leuk en heel zinnig werk.”

Van de 190 leerlingen van de Binnenstad-school worden er maar weinig met de auto gebracht. “Onze school ligt hier prachtig”, zegt Walther, “maar voor auto’s is hier geen ruimte. Er zijn geen parkeerplaatsen. Enkele ouders hebben toestemming gekregen voor kort parkeren iets verderop richting Vief Köp. De jongere leerlingen komen te voet of worden op de fiets gebracht. Veel ouders zijn zelf gewend de fiets te gebruiken in hun dagelijks leven. Het is beleid van de school: als je met de fiets kunt komen, pak dan de fiets. Of nog liever kom lopen met je kind, want er zijn niet genoeg parkeerplekken voor fietsen op onze speelplaats. Vanaf groep 3 komen kinderen vaker onder begeleiding op de fiets en in groep 8 komen alle leerlingen met de fiets. Elke dag.”

Walther vertelt dat de school al jarenlang een vast patroon heeft. “Groep 7 doet elk jaar in april mee aan het landelijk theorie-examen voor verkeer. Dit jaar zijn dat 25 kinderen. En in juni organiseren we zelf het praktijkexamen. De leerlingen van groep 7 brigadieren hier op straat voor de school, met een hesje aan en onder begeleiding van een ouder. Zo leren ze het verkeer al beter kennen. Met groep 8 fietsen we elke week naar de gymzaal, ook met hesjes aan. En één keer per jaar gaan we met de hele groep op kamp, op de fiets naar Epen of ergens in de buurt van Lanaken. Dit jaar waren we met 32 kinderen, vier volwassenen en een volgwagen. Kinderen vinden het geweldig, een avontuur. Tijdens zo’n kampweek gaan we ook ’s avonds op de fiets naar de film en door het donker weer terug.”

Spelenderwijs leren kinderen van de Binnenstadschool omgaan met gevaren op de weg. “We doen dit al heel lang”, constateert Walter tevreden. “En het is nog niet mis gegaan. Ja, we zijn wel eens in de stromende regen teruggekomen van een kamp en natuurlijk valt er wel eens iemand. Maar iets ernstigs is er niet gebeurd. Gelukkig maar, want er is altijd een risico. Wij zien het als een taak van de school om kinderen te leren met die risico’s om te gaan. Oefenen in het leren oppassen, hoe steek je een gelijkwaardige kruising over? Wakker zijn, want niet iedereen houdt zich aan de regels. Dus moet je zelf oppassen. Ze weten bijvoorbeeld allemaal dat je niet zomaar voorrang hebt: voorrang moet je krijgen.”

Walther is er van overtuigd, dat een overbeveiligde speeltuin roekeloos gedrag bij kinderen bevordert. “Dus, je moet niet alles willen dichtspijkeren met veiligheidsmaatregelen. Je moet kinderen leren het gevaar te herkennen. Besef bij brengen, dat niet iedereen zich aan de regels houdt en zelf moet je adequaat reageren in het verkeer. Dat kun je leren. Realiteitszin bevorderen. Laten zien dat fietsen in een groep leidt tot onachtzaamheid en kuddegedrag. Wees je daarvan bewust, als je straks met zijn vieren naast elkaar naar de middelbare school fietst.”

Als ik vraag of hij een idee heeft, waarom er op sommige andere basisscholen zo weinig kinderen de fiets gebruiken, reageert Walther met aarzeling en enige verbazing. Zijn die scholen er? En waarom zouden ze kinderen afraden de fiets te nemen? Uit angst waarschijnlijk, om risico te mijden of misschien hebben ze geen plaats voor fietsen op de speelplaats. Er is misschien een neiging tot uitstel: ze zijn nu te jong om alleen op de fiets te gaan. Dat komt straks wel. En dat kan betekenen, dat ze wachten tot de middelbare school. Dan gaat iedereen op de fiets, met of zonder verkeersdiploma.

“Misschien is er sprake van kopieergedrag, ook bij de ouders,” vermoedt Walther. “Bij ons is het heel gewoon om op de fiets te komen. Ouders komen zelf met de fiets. Onze leerlingen zien hun leerkracht nooit met een auto. Mijn (15) collega’s komen te voet of op de fiets (ook als ze in Margraten wonen) en als ze met de auto komen, kunnen ze die niet bij de school parkeren. Dat helpt allemaal. En we gaan met leerlingen te voet als het nodig is. Bijvoorbeeld naar de schooltuin langs de stadswal. Spelenderwijs nemen ze deel aan het verkeer, leren de betekenis van de borden. Of we lopen met hen naar het squashcentrum in de Brusselsestraat”.

Tot slot wil ik weten waar mijn gastheer van droomt, als het gaat om fietsgedrag bij kinderen. “De ideale opdracht lijkt mij om leerlingen te vragen om alleen van school naar het treinstation te fietsen. Hoe pakt hij dat aan? Hoe gedraagt hij zich in het verkeer? Kan hij zonder te oefenen een onbekende situatie aan? Daar zou ik benieuwd naar zijn, maar dat hebben we nog niet aangedurfd. Het moet veilig zijn als je leert en tegelijk moet je beseffen, dat je niet alle risico’s kunt uitsluiten. Daar mee leren omgaan. Dat is de kunst.”

Het schoolgebouw is bijna verlaten, als we door dezelfde gangen naar buiten lopen. In een voorraadkast pakt Walther een zwarte fietspomp en reikt me die behulpzaam aan. Mijn lege achterband staat al snel weer strak. Gelukkig blijkt het gaatje in mijn achterband klein genoeg om veilig en vlot thuis te geraken.